Auteursarchief: admin

Wetswijziging Wmo 2015 moet resultaatgericht indiceren mogelijk maken

De rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is inmiddels helder (uitspraak 1 / uitspraak 2 / uitspraak 3). Het resultaatgericht indiceren door gemeenten is niet toegestaan. Gemeenten dienen in het besluit op grond waarvan de voorziening ‘hulp bij het huishouden’ wordt toegekend ook tijdseenheden op te nemen en deze tijdseenheden moeten zijn gebaseerd op deugdelijk onderzoek. Aangezien tot op heden in de rechtspraak slechts het ‘CIZ-protocol Huishoudelijke Verzorging’ en het rapport van HHM en KPMG Plexus zijn erkend als deugdelijk onderzoek zaten veel gemeenten te wachten op de reactie van de minister en/of de VNG. De VNG heeft eerder aangegeven de reactie van de minister af te wachten, voordat zij zelf met een inhoudelijke reactie zou komen.

Zie ook: https://www.vbk.nl/actueel/wetswijziging-wmo-2015-moet-resultaatgericht-indiceren-mogelijk-maken/

https://www.sociaalweb.nl/blogs/wetswijziging-wmo-2015-moet-resultaatgericht-indiceren-mogelijk-maken

Lees verder

RESULTAATGERICHT INDICEREN OP GROND VAN DE WMO 2015 NIET LANGER MOGELIJK? EEN BOTSING TUSSEN MAATWERK EN RECHTSZEKERHEID

Voor het Tijdschrift Gemeentestem (Gst), 2019/37 schreven Bastiaan Wallage en Wouter Koelewijn een artikel over het resultaatgericht indiceren op grond van de Wmo 2015 en in het bijzonder de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 oktober 2018. De CRvB oordeelde in deze uitspraak dat gemeenten in hun beleid en/of in het besluit waarin zij een voorziening ‘hulp bij het huishouden’ toekennen, met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel, ook tijdseenheden moeten opnemen (zie ook onze Legal Update van 25 oktober 2018).  Met deze rechtspraak is het voor gemeenten niet (langer) mogelijk om resultaatgericht te indiceren.

Voor meer informatie:

Bastiaan Wallage
+31 30 25 95 553
bastiaanwallage@vbk.nl

Zie ook: https://www.vbk.nl/actueel/resultaatgericht-indiceren-op-grond-van-de-wmo-2015-niet-langer-mogelijk-een-botsing-tussen-maatwerk-en-rechtszekerheid/

Vrije artsenkeuze: een onderdeel van de Nederlandse constitutie?

B. Wallage, A.C. Hendriks & W.I. Koelewijn– In deze bijdrage staat de vraag centraal wat de betekenis is van het recht op vrije artsenkeuze en in hoeverre patiënten c.q. verzekerden daaraan rechten kunnen ontlenen jegens de staat en in het bijzonder de zorgverzekeraars. Eerst wordt een definitie gegeven van het recht op vrije artsenkeuze. Vervolgens wordt gekeken naar de constitutionele aspecten achter vrije artsenkeuze, of dat recht een grondrechtelijke grondslag kent en of dit positieve verplichtingen voor de staat met zich meebrengt. Hierna wordt de toelaatbaarheid van een beperking van het recht op vrije artsenkeuze onderzocht en wat de verplichtingen zijn van zowel de staat, als de zorgverzekeraar om dit recht (actief) te beschermen. 

Tijdschrift voor Constitutioneel recht

10e jrg., nr. 1, januari 2019

EEN BETAALOVEREENKOMST IS GEEN ZORGOVEREENKOMST

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 5 februari jl. een interessante uitspraak gedaan in een procedure waarin de volgende feiten en omstandigheden centraal stonden. Appellante, in casu de patiënt, heeft zorg ontvangen van geïntimeerde, in casu de zorgaanbieder c.q. zorgverlener, op grond van een tussen partijen gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst is appellante aan geïntimeerde loon verschuldigd op grond van artikel 7:461 BW. In eerste aanleg is appellante door de Rechtbank Limburg veroordeeld dit loon aan de zorgaanbieder te betalen. Tegen deze uitspraak is door appellante hoger beroep ingesteld.

Zie ook: https://www.vbk.nl/actueel/een-betaalovereenkomst-is-geen-zorgovereenkomst/

Lees verder

EEN KLACHT BIJ HET COLLEGE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS; WAT NU?

De Algemene wet gelijke behandeling (hierna: ‘AWGB’) en Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: ‘AWGB/CZ’) vormen een uitwerking van artikel 1 van de grondwet. Hierin staat: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”. Op grond van de voornoemde wetgeving is het College van de rechten voor de mens (hierna: ‘het College’) bevoegd om te oordelen op schriftelijke verzoeken en te onderzoeken of in een individueel geval ontoelaatbaar onderscheid is gemaakt. In deze Legal Update zullen wij beschrijven wat te doen op het moment dat een verzoek wordt ingediend bij het College. Allereerst zullen wij hieronder kort de reikwijdte van voornoemde wetgeving uiteenzetten.

Zie ook: https://www.vbk.nl/actueel/een-klacht-bij-het-college-voor-de-rechten-van-de-mens-wat-nu/

Lees verder

GENERIEK KORTINGSPERCENTAGE BIJ VERGOEDING VAN NIET-GECONTRACTEERDE ZORG DOOR ZORGVERZEKERAARS IS NIET TOEGESTAAN

De Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze is van oordeel dat de zorgverzekeraars onrechtmatig handelen jegens niet-gecontracteerde zorgaanbieders. De stichting stelt dat de vergoedingsmethodiek die wordt toegepast door zorgverzekeraars voor de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg de toegang tot die niet-gecontracteerde zorg belemmert. Daarmee is naar het oordeel van de stichting sprake van een feitelijke hinderpaal voor de verzekerden en is sprake van strijd met artikel 13 Zvw.

Zie ook: https://www.vbk.nl/actueel/generiek-kortingspercentage-bij-vergoeding-van-niet-gecontracteerde-zorg-door-zorgverzekeraars-is-niet-toegestaan/

Lees verder

Seminar: Is resultaatgericht indiceren op grond van de Wmo 2015 nog mogelijk?

Op 19 maart 2019 spreek ik op het seminar over resultaatgericht indiceren.

Tijdens het seminar over resultaatgericht indiceren zullen topsprekers de jurisprudentie en de gevolgen voor de rechtspraktijk duiden en tips geven ten aanzien van het gemeentelijke beleid en de zorginkoop. De algemene rechtsregels die uit de rechtspraak kunnen worden afgeleid worden toegelicht. Tot slot zullen de sprekers ook hun perspectief voor de toekomst geven. Het volledige programma treft u onderstaand.

Zie ook: https://www.sociaalweb.nl/events/seminar-is-resultaatgericht-indiceren-op-grond-van-de-wmo-2015-nog-mogelijk

Innovatie in de zorg, toezicht en de risico’s voor de patiënt

Door mr. B. Wallage en ir. J. Slobbe[1]

In de huidige informatiesamenleving worden steeds meer medische apparaten verbonden aan een netwerk. Enerzijds creëert dit kansen voor het leveren van betere en efficiëntere zorg. Bijvoorbeeld doordat mensen langer thuis kunnen blijven wonen door telemetrie[2]of beter geholpen kunnen worden door het ‘realtime’ monitoren van risicopatiënten. Anderzijds brengt deze innovatie in de gezondheidszorg risico’s met zich mee op het gebied van cybersecurity. Deze risico’s kunnen zich ook vertalen naar risico’s voor de patiënt. Uit onderzoek volgt zelfs dat kwetsbaarheden in de beveiliging van medische apparatuur tot ernstige schade aan de gezondheid van de patiënt kunnen leiden.[3]Uit deze onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat hackers medische apparatuur c.q. hulpmiddelen, zoals hartdefibrillatoren en infuuspompen, kunnen hacken en de instellingen van deze hulpmiddelen op afstand kunnen aanpassen. In de praktijk hebben hackers medische apparatuur aangevallen.[4]In april 2018 werd bijvoorbeeld bekend dat hackers ‘malware’ hebben ontwikkeld die zich richt op onder andere het aantasten van de werking van medische apparatuur.[5]Dit vormt een risico voor de patiëntveiligheid en roept de vraag op of er voor wat betreft de beveiliging van medische apparatuur een rol is weggelegd voor zorgaanbieders en wat de rol is van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: ‘IGJ’).

Zie ook: http://weblogs.arsaequi.nl/publiekrechtelijkgezondheidsrecht/2018/12/28/innovatie-in-de-zorg-toezicht-en-de-risicos-voor-de-patient/

Lees verder